Persoonlijk statuut

Als journalist ben je onderdeel van de media en heb je, zoals je op de middelbare school al leert, verschillende functies. Waakhond,  informatieverstrekker, maar ook de educatieve en amuserende functie. Door de verscheidenheid van deze functies hebben journalisten verschillende rollen. Toch zullen de meeste zich vaak aan de algemene (ongeschreven) basisregels moeten houden, zoals het plegen van hoor- en wederhoor, checken en dubbelchecken en het onderscheid maken tussen feit en opinie. Ik ook. Elke situatie is echter anders; het belangrijkste is dat een journalist naar eer en geweten handelt. En mocht dit discussie opleveren, dan kan de Raad van Journalistiek, of anders de rechterlijke macht, uitkomst bieden.

Voor een journalist zijn gebruikers van groot belang: zonder hen heeft het maken van een productie weinig zin. Maar ze zijn bovenal een enorm grote bron. De term ‘gebruikers’ is daarom ook geschikter dan ‘lezers’ of ‘kijkers’. Interactie met het publiek kan je als journalist ontzettend veel informatie opleveren. Van nieuwstips tot nieuwe bronnen, van ooggetuigen tot een 180 graden draai van een invalshoek. Het beste voorbeeld van een medium die hier gebruik van maakt is naar mijn idee De Correspondent. De leden dragen, naast hun financiële bijdrage, ook bij door middel van interactie met de auteur. Doordat zij dit kunnen doen vanuit hun functie (schooldirecteur, onderzoeker, vuilnisman), krijgen de reacties meer lading. En alleen al doordat men weet dat de auteur de reacties leest (en vaak reageert), zullen de bijdrages onder de artikelen meer inhoud krijgen, serieuzer zijn en gaan mensen intensiever meedenken. De auteur wordt daarmee een gespreksleider in plaats van enkel een stukjesschrijver. Journalisten zijn geen allesweters. Door de interactie aan te gaan en te durven twijfelen / vragen durven te stellen maakt hij de gebruikers onderdeel van de zoektocht naar informatie. Joris Luyendijk schreef (ongeveer) op deze manier zijn bestseller ‘Dit kan toch niet waar zijn?’ over de financiële sector, dat mede dankzij de werkwijze niet verzandde in moeilijk jargon. 

Dat niet elke journalist direct een Joris Luyendijk is, moge duidelijk zijn. Mijn medestudenten en ik zullen zeer waarschijnlijk beginnen als freelancer en afhankelijk zijn van het aantal opdrachten dat we krijgen. Daardoor wordt het interessanter (en soms noodzakelijk) om ook voor commerciële partijen te werken. Een websitetekst schrijven, persberichten opstellen, dagvoorzitter zijn. Dat kan wrijving opleveren als je later over dat bedrijf een productie moet maken. Maar journalisten moeten ook rondkomen; verbieden is dus geen optie. Openheid daarentegen wel. Tegenover het bedrijf, de hoofdredactie en tegenover de gebruikers. Als het ook maar de schijn heeft dat het kan schuren, dan is het van belang om hier direct openheid over te geven.

Net zoals het belangrijk is om eenieder de credits te geven die hij of zij verdient. Soms zal het prestatie van de redactie zijn, maar als twee journalisten aan één artikel hebben gewerkt, horen beide namen bij het artikel te staan. Al helemaal voor freelancers kan dit van groot belang zijn.